NIEUW RAPPORT: KLOOF TUSSEN INKOMEN VAN GEPENSIONEERDEN EN WERKENDEN GROEIT DOOR PENSIOENHERVORMING

Over de budgettaire impact van de grootschalige pensioenhervorming van de federale regering is er geen discussie: die is positief, zo leert het nieuwste jaarverslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing. Met pensioenhervorming worden de uitgaven in de hand gehouden en verminderen de kosten van de pensioenen met 1,4 procent van het bruto binnenlands product, tussen nu en 2070.

Minder vrolijk nieuws is er als je in diezelfde periode de levensstandaard van Belgische gepensioneerden vergelijkt met die van werkenden. In het jargon heet dat de 'benefit ratio': die geeft een idee van de vraag of de gemiddelde brutopensioenen de groei van de gemiddelde arbeidsinkomens kunnen blijven volgen. 

In de eerstkomende 10 jaar zie je die relatieve levensstandaard van gepensioneerden nog even stijgen: +3 procent in vergelijking met 2025. Dat is voornamelijk te danken aan de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd: mensen blijven daardoor langer werken en zien daardoor ook (gemiddeld) hun pensioen stijgen.

Halverwege de jaren 30 maakt die levensstandaard, ten opzichte van de werkenden, plots een knik naar beneden. Dan zijn we volgens de projectie van de Vergrijzingscommissie vertrokken voor een decennialange daling. 

Gevolg van pensioenhervorming

Dat is voor een deel toe te schrijven aan de recente pensioenhervorming, waardoor de groei van het gemiddelde pensioen tot 2070 tempert. Denk aan maatregelen als de pensioenmalus, de beperking van de gelijkgestelde periodes en de forse ingrepen in de ambtenarenpensioenen. De pensioenen zullen daardoor tientallen jaren lang, gemiddeld gezien, minder snel groeien dan de arbeidsinkomens. 

Tegen 2070 zal de 'benefit ratio' naar verwachting ongeveer 13 procent lager liggen dan in 2025. Die negatieve evolutie zou enkel wat kunnen temperen als de productiviteit in ons land trager groeit (iets waar je economisch gezien niet direct op moet hopen).

"Vanuit het oogpunt van de sociale houdbaarheid wijst dit op een geleidelijk risico dat de levensstandaard van de gepensioneerden achterblijft op die van de beroepsbevolking", oppert de Vergrijzingscommissie. "Het rapport maakt duidelijk dat er op lange termijn een afweging kan ontstaan tussen enerzijds de beheersing van de pensioenuitgaven en anderzijds het behoud van de relatieve levensstandaard van gepensioneerden."

Wat met het armoederisico?

Die wat sombere voorspellingen ten spijt, kon ons land de laatste jaren nochtans mooie cijfers voorleggen op een ander economisch domein: het armoederisico van gepensioneerden. Sinds 2019 zijn die percentages gestaag gedaald, van 16 procent toen naar nog amper 8 procent in 2024.

Daarmee deed ons land het de laatste jaren beter dan alle buurlanden. Ter vergelijking: Frankrijk klokte af op een armoederisico van 11 procent voor gepensioneerden in 2024, Nederland op 15,9 procent en Duitsland op 18,9 procent

Dat is volgens de Vergrijzingscommissie te danken aan verschillende factoren. Zo zijn meer vrouwen gaan werken of langer gaan werken, wat voor hogere pensioenen heeft gezorgd. Ook zijn de minimumuitkeringen voor gepensioneerden en ouderen sinds 2021 sterk opgetrokken.

Of die positieve evolutie kan aanhouden, daar spreekt dit rapport zich niet over uit. Een eerder rapport van het Planbureau waarschuwde wel al dat het armoederisico door de pensioenhervorming bij nieuw gepensioneerden zou stijgen met 0,4 procentpunt (en nog meer als de maatregelen op kruissnelheid zijn). 

2026-07-09T12:04:02Z